Twaalf begrippen die je bureau gebruikt en jij niet hoeft te kennen
Van staging tot brandbook, wat je bureau eigenlijk bedoelt
Hieronder staan twaalf termen die je in een projectoverleg tegenkomt, met per term de vraag die je erbij hoort te stellen.
Waar je site uit bestaat
1. Frontend en backend
De frontend is alles wat een bezoeker ziet: knoppen, teksten, plaatjes, animaties. De backend is de kant die niemand ziet, waar de gegevens staan en de logica draait.
Wat je ermee doet: vraag bij een wijziging of het alleen de frontend raakt. Zo ja, dan is het meestal snel te doen. Zodra de backend meedoet, komt er data en dus testwerk bij kijken, en dat zie je terug in de planning.
2. CMS
Het systeem waarin jij zelf teksten, foto’s en pagina’s beheert. WordPress is er een van, maar er zijn er meer. Bij een maatwerk CMS wordt dat beheerscherm helemaal op jouw manier van werken ingericht.
Wat je ermee doet: vraag niet welk CMS het beste is, maar of jouw redacteuren er zonder handleiding mee overweg kunnen. Laat het je voordoen met een echte pagina. Bij een WordPress-site op maat is dat het criterium waar wij op ontwerpen.
3. API-koppeling
Een API is een afgesproken manier waarop twee systemen met elkaar praten. Je voorraadsysteem levert aantallen aan je webshop, je website stuurt een order naar de boekhouding.
Wat je ermee doet: als iemand zegt “daar is een API voor”, vraag dan wélke gegevens die API vrijgeeft en in welke richting. Dat bepaalt vaak de omvang van het hele project. Bij een AFAS-koppeling of een andere integratie is dat het eerste dat wij uitzoeken.
4. Headless
Een opzet waarbij de plek waar content wordt beheerd los staat van de plek waar hij wordt getoond. Eén bron, meerdere kanalen: website, app, schermen in een showroom.
Wat je ermee doet: vraag waarom het nodig is. Het is krachtig als je content op meer dan één plek gebruikt, en overkill als je een eenvoudige site hebt. Wij bouwen dit met Directus en Nuxt, maar alleen als er een reden voor is.
Hoe hij bereikbaar en snel blijft
5. DNS
Het adresboek van internet. Het vertaalt jouw domeinnaam naar de server waar je site draait, en regelt ook waar je e-mail naartoe gaat.
Wat je ermee doet: controleer of jij zelf toegang hebt tot het beheer van je domeinnaam, en niet alleen je leverancier. Dit is het onderdeel dat bij een verhuizing het vaakst misgaat.
6. Cache
Een tijdelijk opgeslagen kopie, zodat een pagina niet bij elk bezoek opnieuw hoeft te worden opgebouwd.
Waarom je wijziging “nog niet zichtbaar” is
Vaak is dit de reden dat jij een aanpassing niet ziet en wij wel. De pagina die jij bekijkt komt uit een kopie van een paar minuten oud. Verversen of de cache legen lost het op, dus meld het even voordat je concludeert dat er niets is gebeurd.
Hoe eraan gewerkt wordt
7. Staging
Een kopie van je site waar wij werken en jij kunt meekijken, zonder dat bezoekers er iets van merken.
Wat je ermee doet: geef je feedback altijd op staging en niet op de live site. En als iemand zegt dat er “even snel iets live is gezet” zonder staging, mag je daar iets van vinden.
8. Deploy
Het moment waarop nieuw werk van staging naar de live omgeving gaat.
Wat je ermee doet: vraag of je met één handeling terug kunt naar de vorige versie. Kan dat, dan is de boel op orde. Dat is een van de dingen die toekomstbestendig bouwen in de praktijk betekent.
Hoe hij gevonden blijft
9. Redirect
Een doorverwijzing van een oud adres naar een nieuw adres.
Wat je ermee doet: vraag er expliciet naar bij een nieuwe site of een migratie. De structuur van je pagina’s verandert dan vaak, en zonder redirects raken bezoekers en zoekmachines de weg kwijt. Dat merk je direct in je verkeer.
10. Indexeren
Het opnemen van je pagina’s in de zoekindex van Google. Pas daarna kun je gevonden worden.
Wat je ermee doet: vraag na een livegang of de site niet per ongeluk is uitgesloten van indexatie. Dat gebeurt regelmatig, wanneer een instelling van de testomgeving blijft staan. Wij nemen die controle mee in ons SEO-werk.
Jargon is geen bewijs van kennis. Als wij een term gebruiken zonder uitleg, is dat ons probleem en niet dat van jou.
Woorden die vooral aan onze kant vallen
11. Brandbook
Het document waarin staat hoe je merk eruitziet en klinkt: logo, kleuren, typografie, toon. Soms heet het merkboek of huisstijlhandboek.
Wat je ermee doet: vraag of je het zelf kunt gebruiken zonder ons erbij. Een brandbook dat alleen een ontwerper begrijpt, ligt binnen een jaar in een la. Bij branding leveren we daarom praktische voorbeelden mee in plaats van alleen regels.
12. Proof of concept
Een klein, werkend stuk software waarmee je één onzekerheid test voordat je aan het echte werk begint. Werkt de koppeling? Snappen gebruikers het scherm?
Wat je ermee doet: vraag wélke vraag ermee wordt beantwoord en wat je doet als het antwoord tegenvalt. Een proof of concept zonder duidelijke vraag is gewoon een klein project met een chique naam.
Wat je hiermee opschiet
Bij al deze begrippen komt het op hetzelfde neer: wat betekent dit voor mijn planning, mijn budget of mijn bezoekers? Een goed antwoord daarop kan iedere leverancier geven zonder terug te vallen op vaktaal.
En als dat niet lukt, is dat op zichzelf ook informatie.
Zit je in een traject en wil je gewoon even iets uitgelegd krijgen? Stel je vraag, we denken graag mee.
Richting voor digitale groei
Sterke digitale producten beginnen met heldere keuzes. Lees hoe we denken over positionering, structuur en groei die klopt op de lange termijn.